Klik hier als u deze mailing niet kunt lezen.
Voorhamer

De voorhamer gebruik ik niet vaak. Alleen om met behulp van een zware wig een te groot of warrig stuk hout te kloven. Dat deed ik vroeger regelmatig in mijn strijd met de natuur, die zoals iedereen weet in principe onoverwinnelijk is. Elke overwinning is tijdelijk, elke dijk zal het verliezen, elk succes is uitstel. Ik heb een kachel met een grote mond, grote brokken kan hij aan. Dat ik die toch probeer te verkleinen, betekent dat ik overwinningen wil behalen, ook als ik alleen ben en niemand me ziet, ook als ik er niet over praat en mezelf vervloek. Ik doe het terwijl ik weet dat de wig niet zelden diep in het hout zal blijven steken en ik andere middelen zal moeten gebruiken. Tijd, zweet, ergernis – nooit bevrediging zonder bijsmaak. De voorhamer is zwaar, wordt zwaarder omdat ik schoorvoetend zwakker word, de voorhamer moet langer wachten, heeft zich in mijn ogen verongelijkt teruggetrokken, is niet makkelijk meer te vinden omdat ik me niet kan herinneren in welke schuur ik hem het laatst gebruikt heb. De natuur giechelt. Gisteren had ik een opleving, we waren weer eens samen, we leken onverstoorbaar, we veinsden tijdloosheid. Maar na een half uur lag de afgebroken kop van de hamer zonder waarschuwing op het mos tussen de bomen. Ik stookte ter plaatse een heet vuur om het hout uit het metaal te branden. Ik wist dat je na afloop niet zou kunnen zien dat het nog uren gloeiend heet zou zijn. Ik sprak mijn geheugen toe en hield me uit de buurt. Vanmorgen heb ik de overgebleven steel gemonteerd, de voorhamer is zeven centimeter korter dan gisteren. Ik heb hem opgeborgen, ik weet in welke schuur.  

gras
© A.L. Snijders/AFdH Uitgevers