Copy
Je dagelijkse mail van bijbeljaar.nl
Bekijk deze mail in je browser
 Psalm     Nieuwe Testament     Oude Testament

Hoe zit het met mensen die niet geloven?

25 juli - dag 206

Toen ik Jezus leerde kennen in februari 1974 veranderde mijn leven volledig. Ik begreep dat Hij voor mij is gestorven. Ik voelde zijn liefde. Ik wist dat God bestond. Ik ervoer de buitengewone zegen van een relatie met Jezus. Maar bijna onmiddellijk daarna had ik een ervaring zoals Paulus beschrijft in dit gedeelte: '... veel verdriet (...) een onophoudelijke pijn in mijn hart' (Romeinen 9:2, HB).

Ik wilde zo graag dat iedereen hetzelfde voelde en wist wat ik had meegemaakt. Ik wilde dat mijn familie en vrienden die nog geen christen waren Christus ook leerden kennen.

Zijn eigen volk lag Paulus zo na aan het hart dat hij bereid was om zijn band met God en zijn volk te verbreken als dit hen zou redden. Hij schrijft: 'Omwille van mijn volksgenoten (...) zou ik bijna bidden zelf vervloekt te worden en van Christus gescheiden te zijn [een beschrijving van de hel]; omwille van hen, de Israëlieten' (vv.3-4a).

Maar tegelijkertijd vertrouwde Paulus erop dat God de hele situatie in de hand had. God is almachtig. Hij heerst en regeert over zijn universum.

Hoe bewaren we het evenwicht tussen deze grote angst en liefde voor onze geliefden en een vertrouwen in Gods heerschappij en almacht?

1. Dank God voor zijn heerschappij

We weten niet alle antwoorden op alle vragen. Maar we weten wel dat God het gezag heeft over zijn universum. Dit is Gods wereld. Hij houdt van ons en we kunnen niet alleen onze toekomst aan Hem toevertrouwen, maar ook alles wat alle andere mensen zal overkomen.
 
'Van u is de hemel, van u ook de aarde, de wereld met alles wat er leeft, hebt u gegrond' (v.12).
 
God heeft de wereld niet alleen gemaakt, maar Hij blijft er steeds actief bij betrokken. 'U heerst over de hoog rijzende zee (...) Uw arm verricht heldendaden, krachtig is uw hand, geheven uw rechterarm' (vv.10a,14).
 
'Wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede' (Romeinen 8:28).
 

Heer, U bent de Almachtige Heer. U bent de schepper van de wereld en U bepaalt de geschiedenis. Dank U dat ik erop mag vertrouwen dat U uiteindelijk alles wat er gebeurt in mijn leven bepaalt.
 

2. Vertrouw op zijn genade en barmhartigheid

“Dat is niet eerlijk!”, roepen kinderen vaak, en zij zijn niet de enigen. Veel volwassenen zeggen dit over het christelijk geloof.
 
Nadat hij aan het einde van hoofdstuk 8 het hoogtepunt van zijn brief heeft bereikt, heeft Paulus het in hoofdstuk 9 tot 11 over het volk Israël. Paulus zag christen worden niet als bekering vanuit het Joodse geloof. Nee, hij zag het als onderdeel van de vervolmaking van de ware Israëlieten en de ware kinderen van Abraham. Dit was een zeer persoonlijke zaak voor Paulus. Hij noemt Israël 'mijn volksgenoten' en daarmee bedoelt hij niet de christenen, maar de Joden. Ze waren zijn familie. Bij hen was hij opgegroeid. Hij zegt dat hij diepbedroefd is en voortdurend door verdriet wordt gekweld (v.2).
 
Sommigen lijken te beweren dat er geen verdriet meer in je leven is nadat je christen bent geworden. Maar bij Paulus ging grote vreugde hand in hand met verdriet en pijn. Dat is een merkwaardige paradox. Ook jij zult dit grote verdriet voelen voor de leden van je gezin, voor je vrienden die buiten het koninkrijk lijken te vallen of als mensen Jezus afwijzen.
 
Paulus wilde zo graag dat ze gered zouden worden dat hij bereid was niet alleen voor hen te sterven, maar gescheiden te worden van Christus (v.3), wat zijn grootste angst was.
 
Mozes bad een vergelijkbaar gebed voor het volk toen het had gezondigd tegen God: 'Schenk hun vergeving voor die zonde. Wilt u dat niet, schrap mij dan maar uit het boek dat u geschreven hebt' (Exodus 32:32). God neemt het offer van Mozes (vv.33-34a) noch het offer van Paulus aan omdat hun leven de zonden van hun volk niet kon goedmaken.
 
Dat kan alleen het leven van Jezus, omdat Hij zonder zonde was. Jezus was bereid om voor ons te worden vervloekt en van God te worden gescheiden (Romeinen 9:3). Hij was niet alleen bereid; zijn offer werd wel aangenomen en had het beoogde effect. Daar kun jij niets aan toevoegen.
 
Maar Paulus beseft tot zijn grote verdriet dat een groot deel van zijn eigen volk dit buitengewone geschenk van verlossing en vergeving heeft afgewezen. God heeft ons (en dus ook hun) alles aangeboden en het is hun keuze om het aan te nemen of te weigeren.
 
Wat het nog erger maakt voor Paulus is dat zij Gods uitverkoren volk zijn. God heeft in zijn almacht het volk Israël uitgekozen: 'De Israëlieten zijn Gods kinderen. Ze vereren de ware God, die altijd bij hen is. Met hen maakte God zijn afspraken, en aan hen gaf hij zijn wet. En God deed aan hen al zijn beloftes. Zij zijn het volk dat afstamt van Abraham, Isaak en Jakob. En zij zijn het volk waaruit Christus is gekomen, toen hij leefde als mens' (vv.4-5, BGT).
 
Dit is de achtergrond van de brandende vraag die hem zijn hele dienstbare leven moet hebben gekweld: “Heeft God zich dan niet aan zijn belofte gehouden?” Zijn antwoord is “Ja, dat heeft Hij wel.” Hoe werkt dit?
 
Zijn eerste antwoord is feitelijk: “Is het je nooit opgevallen dat God nooit beloften heeft gedaan aan alle nakomelingen van Abraham?” Hij geeft twee voorbeelden: Isaak en zijn broer (vv.6-9) en Jakob en Esau (vv.10-13). In beide gevallen is de belofte aan een van beiden gedaan.
 
Is dat eerlijk? 'Maar is dat niet oneerlijk van God?' (v.14a, BGT). Zijn antwoord is dat iedereen die God oneerlijk noemt, God niet kent.
 
De leer van de uitverkiezing is gebaseerd op Gods genade: ' “Ik zal goed zijn voor wie ik goed wil zijn. Ik geef liefde aan wie ik liefde wil geven.” God bepaalt zelf wat hij doet. En dat hangt niet af van wat een mens wil of hoe goed een mens zijn best doet. Maar alles hangt af van Gods goedheid en liefde' (vv.15-16, BGT).   De woorden genade en barmhartigheid komen zes keer voor in vers 15-18 in de Nieuwe Bijbelvertaling. Je kunt je toekomst en je geliefden met een gerust hart toevertrouwen aan God. Hij heeft alles in de hand. Het is zijn almachtige verantwoordelijkheid.
 
We vinden niet meer antwoorden op deze vragen in de Bijbel. We lezen over Gods grote barmhartigheid en zijn rechtvaardigheid. We lezen over uitverkiezing en vrije wil. Vrije wil betekent dat we verantwoordelijk zijn voor onze eigen keuzes.
 
Vaak is de waarheid in de Bijbel niet het een of het ander of iets ertussen in, maar aan twee kanten tegelijk. Dit mysterie lost de Bijbel niet voor ons op; er zijn dingen waarover we samen met de psalmdichter moeten concluderen dat die ons begrip te boven gaan (Psalm 139:6). We moeten vasthouden aan de waarheden van uitverkiezing en vrije wil die naast elkaar bestaan.
 

Heer, dank U voor uw liefde en genade. Dank U dat U geduldig bent en trouw. Dank U dat U voor ons bent gestorven aan het kruis, opdat iedereen die in U gelooft kan worden vrijgemaakt. Help me om op U te vertrouwen als dingen mijn begrip te boven gaan.
 

3. Keer zonde de rug toe en ga terug naar God

Gods onvoorwaardelijke liefde heeft de kracht om onze zonden te vergeven, onze wonden te genezen en ons gebroken hart te helen. Hij houdt niet van je omdat je dat verdient; 'Ik zal u liefhebben, uit eigen vrije wil' (14:5, HB). Hij wil onze ontrouw genezen.
 
God roept ons op om de zonde de rug toe te keren en terug te gaan naar zijn liefde: 'Keer voorgoed terug naar die God. Laat je leiden door liefde en recht. Blijf voortdurend hopen op je God' (12:7). Dit is een goede samenvatting van de boodschap van Hosea.
 
God vraagt zijn volk om tot inkeer te komen (14:1-2) en Hij belooft: 'Ik zal zorgen dat de Israëlieten mij niet meer ontrouw zijn. Ik zal met heel mijn hart van hen houden (...) Ik zal de Israëlieten nieuwe kracht geven (...) Ik geef hun al het goede' (vv.5-9, BGT).
 
De zonden van Israël lijken heel veel op die van de eenentwintigste eeuw. Zo was er fraude in de stad: 'Dat handelsvolk heeft altijd een valse weegschaal bij de hand, het is verzot op afzetterij' (12:8). Mensen zochten hun heil bij hun geld. 'Maar ik ben toch rijk geworden? Heb ik mij geen aanzien verworven? Wijst mijn winst soms op iets kwalijks dat de naam van zonde verdient?' (v.9).
 
Als God ons zegent, worden we verzadigd (13:6a). Als we verzadigd zijn, worden we hoogmoedig (v.6b). En vervolgens keren we God de rug toe (v.6c). We zien deze cyclus in ons land en in ons eigen leven:
'Ik heb voor u gezorgd in de dorre, droge woestijn. Maar toen u uw buik had volgegeten, werd u trots en vergat Mij' (v.5-6, HB).

Ondanks hun zonde belooft God hun verlossing: 'Uit de hand van de hel koop ik hen vrij, uit de dood zal ik hen verlossen, dood, waar zijn je pestilenties? hel, waar is je verderf?' (v.14, NB, zie ook 1 Korintiërs 15:55). Door Jezus heeft de dood geen macht meer over ons leven. Als we teruggaan naar God, belooft Hij ons dat we zullen bloeien en dat we zijn vruchten zullen dragen (Hosea 14:6,8,9).
 

Heer, vergeef me mijn zonden, neem mij vol genade aan, genees mijn ontrouw en hou van mij met heel uw hart. Help me om te bloeien als een wijnstok en uw vruchten te dragen.
 

Pippa's bijdrage

Hosea 14:5


'Dan zal Ik u genezen van uw afgoderij en ontrouw. Ik zal u liefhebben, uit eigen vrije wil.'
 
Het effect van iemand die je liefheeft uit eigen vrije wil is verbluffend. Als we deze liefde van God voelen en ervaren, verandert dit ons diep van binnen.
 
Hierdoor heeft God heel wat van mijn ontrouw genezen, maar ik ben er nog niet.
 

Vers van de dag
Hosea 14:9

'... aan mij heb je je vruchten te danken.'
Forward
Share
Tweet
Share
+1
Copyright © 2018 Alpha Nederland, All rights reserved.



Afzender: Alpha Nederland - BiOY@alphanederland.org
Je ontvangt dagelijks deze mail met een vertaling van Bible in One Year 2017.